A. Uitgebreide uitleg over de kunstwerken en de bouw.De huidige Sint-Baafskathedraal, een beschermd gebouw, kwam tot stand in drie belangrijke bouwcampagnes:koor: einde 13e - begin 14e eeuw, met invloed van Noordfranse en Scheldegotiek, met toevoeging van kooromgang en vijf kranskapellen (einde 14e - 1e helft 15e E.;Het oostelijk gedeelte, nl. crypte, koor en oude sacristie zijn opgetrokken in Doornikse kalksteen; Kruisbeuk, schip, toren en kapittelhuis zijn gebouwd in Lediaanse steen. Overwelving met kruisribgewelf (1628). Het koor is afgesloten met marmeren afsluiting en doksaal (1761-67), n.o.v. P.A. Verschaffelt.
In het hoogkoor, barok hoogaltaar (1702-10) in witzwart en rood gevlamd marmer, door Hendrik Frans Verbruggen (Antwerpen); Beelden (15e - 20e E.) o.a."Graflegging van Christus" door Guillaume Huughe (zandsteen, ca 1469);
Uiterst belangrijk schilderijenbezit (15 - 18e E.):
Grauwschilderingen met"Historiën uit Oud en Nieuw Testament" (1773-92), door Pieter Norbert van Reysschoot, ingeschakeld in de koorafsluiting. Verschillende merkwaardige grafmonumenten, nisgraven, epitafen en talrijke praalgraven van Gentse bisschoppen, o.a.
Kerkschat, met merkwaardige verzameling
In de romaanse crypte
Buiten de kathedraal:Onze Lieve-Vrouwebeeld (beeldhouwer Remy Rooms) in kerkportaal naast H. Grafkapel (Limburgstraat), omgeven door bijna verweerde fresco's.
B. Geschiedkundige uitleg:Rond 1100 was Gent een van de voornaamste steden ten noorden van de Alpen en strekte zich uit over 80ha. Eénmaal veilig en stevig gevestigd, begon deze talrijke gemeenschap zich bezig te houden met haar kerkelijke plichten. Men had parochiekerken nodig in de "portus". De eerste kerk was uit hout vervaardigd en was toegewijd aan St-Jan. Volgens de traditie werd ze gesticht in 942 en was ze afhankelijk van de Sint-Pietersabdij. Niets bleef ervan over. Ze stond waarschijnlijk op de plaats van de huidige kathedraal. Het oudste gedeelte van dit groot gebouw is nog zichtbaar in de crypte. Het is de centrale kern van bogen en gewelven en het maakt deel uit van de kerk uit de 12e eeuw. Deze kerk had drie middenbeuken, een kruisbeuk met een centrale toren en overigens met een deur aan de westzijde. De crypte, die gedeeltelijk afgebroken werd voor de herbouwing, had oorspronkelijk vier gelijke beuken die verdeeld waren door octogonale kolommen en groepen van drie fijne kolommen, later verbonden door metselwerk. Deze 12e eeuwse kerk moet wel indrukwekkend geweest zijn in de groeiende stad. Omstreeks de 13e eeuw echter deden zich scheuren voor in het metselwerk van de crypte en de kerk was ook niet groot en statig genoeg meer voor de Gentse burgers. Tegen het einde van de eeuw begon men aan een groter koor boven en naast het 12e eeuwsekoor, dat nog steeds gebruikt werd voor de goddelijke diensten terwijl de werken aan de gang waren. Deze verbouwingen waren waarschijnlijk gedeeltelijk te danken aan de financiële steun van Geraard de Duivel en zijn gemalin (hij werd begraven in de nabijheid van het hoogaltaar, zij in de crypte. Dit gedeelte werd gedragen door een nieuwe, inwendige rij van veertien gotische kolommen in de crypte. Zo omsloot de nieuwe crypte de overblijfselen van die uit de 12e eeuw. De muurschilderingen dagtekenen uit het einde van de 15e eeuw en het begin van de 16e eeuw. Het nieuwe koor werd gewijd in 1353 en afgezien van het vergroten van de zijkapellen in de 14e en 15e eeuw, bleef het nagenoeg onveranderd. Tenminste vier eeuwen lang bleven altijd werken aan de gang. Het werd duidelijk dat de 12e eeuwse middenbeuk klein zou lijken en de kleine centrale toren er belachelijk zou uitzien. Het lag dus voor de hand dat het overblijvend deel van de kerk ook zou moeten herbouwd worden. Tijdens de lente van 1462 legde de abt van St-Pieters de eerste steen van de nieuwe westelijke toren, een prachtige constructie in mooie witte steen. Het werk werd gedurende bijna zestig jaren uitgevoerd vooraleer de oude centrale toren verkocht werd voor afbraak. Een gravure van 1524, bewaard in de Universiteitsbibliotheek, toont nog de twee torens. De nieuwe middenbeuk en de kruisbeuk werden ingewijd in 1569. Er zijn drie duidelijke stijlen in deze grote kerk: de gewone locale architectuur van het einde van de 13e eeuw in het koor, de prachtige laat-gotiek van de toren en de simpele lijnen van de 16e eeuwse middenbeuk en kruisbeuk die pas ingewijd werden toen de beeldenstormers hier hun verwoestingswerk hadden verricht in 1566. Verdere veranderingen waren van mindern belang. In de 17e eeuw werd o.m. het houten gewelf van het koor vervangen door een stenen. Tot 1540 was St-Jans niet meer dan een grote en mooie parochiekerk. Toen echter Keizer Karel besloot een nieuw kasteel te bouwen op de plaats van de St-Baafsabdij werden de monniken overgebracht naar de St-Janskerk als een kapittel van kanunniken en ze gaven hun naam aan de kerk (= St-Bavo ==> St-Baafs). Ze werd een kathedraal in 1559 en Cornelius Jansenius werd tot eerste bisschop gewijd in 1565. Binnen is de kathedraal zeer mooi met haar hoog gewelf en de combinatie van baksteen enzachte witte zandsteen van de middenbeuk. Ze heeft tal van artistieke en historische schatten die gaan van sluitstenen, zoals die in het koorwaarop een man met eenlange neus is afgebeeld uit wiens mond een klimplant groeit, tot meesterwerken zoals het Lam Gods in de Vijdkapel. Elk tijdperk en elke stijl zijnhier vertegenwoordigd. Veel vooraanstaande burgers van Gent zowel als kanunniken en bisschoppen deden rijke giften aan hun kerk of verkozen er begraven te worden in prachtige graven. Zo herbergde de kapel naast die van het Lam Gods, het graf en de beeltenis van Margareta van Gistel, thans in de crypte. Ze stierf in 1431 en haar graf vertoont sporten van het bezoek van de beeldstormers. De beeltenis is volledig verdwenen en de treurders die ze eens omringden zoals de beroemde treurders van de graven van de hertogen van Bourgondië in Dijon, zijn beschadigd. Het hoogaltaar dagtekent uit een latere meer veilige periode, omdat het oude 16e eeuwse reeds vervangen werd door een altaar met Pieter Paul Rubens' schilderij die de intrede voorstelt van St-Bavo in de abdij die zijn naam draagt. Thans hangt deze schilderij in één van de zijkapellen. Ze werd aan P.P. Rubens besteld door bisschop Triest, een van de grote weldoeners van de kathedraal, voor het hoogaltaar. Dit hoogaltaar werd in het begin van de 18e eeuw vervangen door het huidige altaar in marmer, verguld hout, koper en brons. Er zijn 23 altaren in de kathedraal !! Het meest fantasierijke en plezierige onderdeel van de kerkmeubilering is de preekstoel ! Zijn grillige rococo contrasteert met de eenvoudige steen van de omgeving. Van dichtbij ziet hij er allermerkwaardigst uit: achter een paar marmeren figuren -- de Waarheid, met een voet op een wereldbol en een duif achter het hoofd, en de Tijd, zittend op een steenblok en leunend op een boomstronk, -- groeit een boom, overwoekerd door klimop. Twee engelen met heraldische schilden staan naast de trappen; De eiken trapleuning is weelderig versierd met schelpen en bloemenranken. De takken van de boom schijnen de preekstoel zelf te dragen die verder versierd is met marmeren medaillons. Het baldakijkn met de Duif aan de onderzijde wordt gedragen door twee appelbomen. Twee engelen torsen een ernorm Kruis en een derde gritst een appel weg vóór de muil van een slang die rond een van de bomen gekronkeld is en met haar staart omhoog piekt ! Deze merkwaardige compositie dagtekent uit 1745 en is het werk van Laurent Delvaux. Ze is ongeveer negentig jaren jonger dan het prachtig orgel in de noordoostelijke hoek van de middenbeuk, een van de beste orgels in Europa. Het werd gebouwd tussen 1653 en 1656 door Peter Destré en Lodewijk Bis; in 1930 werd er een Duits orgel aan toegevoegd. Het wordt vaak bespeeld voor concerten. Eén van de grootste weldoeners van de kathedraal was Antoon Triest, bisschop van Gent van 1621 tot 1657. Zijn prachtig grafmonument, gebeeldhouwd door Jeroom du Quesnoy tussen 1652 en 1654, in zwart en wit marmer, staat in het koor. Triest leunt op één elleboog met zijn mooie kop in gedachten verzonken, en met zijn mijter aan zijn voeteinde, terwijl aan de ene zijde O.L.Vr staat en aan de andere zijde de Verlosser. Een ietwat latere graftombe, die eveneens in het koor staat, is die van Monseigneur d' Allamont, bisschop van Gent van 1666 tot 1673. Ook dit grafmonument werd in wit en zwart marmer opgetrokken door Jan Delcour. De bisschop zit geknield en is blijkbaar in gesprek met een geraamte dat op de grafsteen zit, met een perkament in de hand waarop geschreven staat dat iedereen moet sterven. Van al de ceremonies die plaats vonden in St-Baafs, waren voorzeker de samenkomsten van het Kapittel van de Orde van het Gulden Vlies de meest kleurrijke en indrukwekkende. Deze ridderorde werd opgericht door Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen in de 15e eeuw,en ze hield haar kapittelvergaderingen in St-Baafs in 1445 -- de zevende, en in 1559 -- de 23ste. Wapenschilden van de aanwezige ridders hangen in de kruisbeuk. In het koor staan vier prachtige koperen kandelaars, afkomstig van het graf van Hendrik VIII of van Wolsey in de St-George's Chapel in Windsor, die waarschijnlijk tijdens de Burgeroorlog aan bisschop Triest verkocht werden. Sint-Baafs bezit niet alleen veel beeldhouwwerken maar ook talrijke meesterwerken van de schilderkunst. Het drieluik "De Kalvarie" door Joos van Wassenhove, alias Justus van Gent, werd waarschijnlijk geschilderd tussen 1464 en 1468. Het heeft op verschillende plaatsen in de kathedraal gehangen, bvb. in de crypte, waar het twee wereldoorlogen veilig overleefde; in 1952 werd het tenslotte geplaatst in de noordelijke kruisbeuk. Op de achtergrond zien we de stad Jeruzalem terwijl het linker paneel Mozes voorstelt die het water van Mara drinkbaar maakt, terwijl op de voorgrond een groepje mensen, waaronder een zeer mooi geklede vrouw met een hoog kroonvormig hoofddeksel, hun dorst lessen. Op het rechter paneel wijst Mozes naar een bronzen slang -- zeer gelijkend op de draak van het Belfort -- terwijl Joden toekijken. De man met een juweel op zijn hoofddeksel en de vrouw aan zijn rechterzijde zijn misschien de schenkers van het drieluik. Ik het middenpaneel wordt de kruisiging voorgeteld met Longinus te paard, de speer in de hand.
C. Uitleg over het "Lam Gods":Er bestaat geen twijfel omtrent de schenkers van het De aanbidding van het Lam Gods. De kapel waarin het zich bevindt werd er speciaal voor gebouwd. In de gewelven zitten sluitstenen, die de familiewapens van Joos Vijd en Elisabeth Borluut dragen. Hun beider portret komt trouwens voor op de buitenpanelen van het meesterwerk. Dit roept veel problemen op. Reeds de vraag naar de identiteit van de kunstenaar.Werd het werk geschilderd door de twee broers Hubert en Jan van Eyck, of door Jan alleen ? En indien het door Jan alleen geschilderd werd, waarom is er een tekst onderaan op de omlijsting van de onderste buitenluiken die expleciet vermeld dat het door de twee broers geschilderd werd in 1432 ? Hubert, die het werk begon maar stierf vooraleer het af was, en Jan die het voltooide ? Was de grafsteen die thans bewaard wordt in het museum van de Sint-Baafsabdij en geïdentificeerd werd in 1895, werkelijk die van Hubert ? Werd hij in feite begraven in de Vijdkapel en indien zo, in de muur of onder de vloer ? Zelfs de datum in het kwatrijn op de omlijsting is een puzzle -- maar nu een gewilde puzzle, een chronogram. Indien we aanvaarden dat het schilderij uitgevoerd werd door de twee broers, welk is dan het aandeel van Hubert of van Jan ? Stillistisch zijn er schijnbaar ook verschillen enerzijds tussen het middenpaneel (de figuren van God, O.L.Vrouw en de H. Johannes) en anderzijds die van Adam, Eva en de achtergrond van de Boodschap. Sommige kunstcritici zien in de tweede groep een grote gelijkenis met andere schilderijden die zeker van Jan van Eyck afkomstig zijn. Zijn in het werk tijdgenoten van de artiesten afgebeeld ? Wie wordt voorgesteld in de centrale figuur uit de bovenste reeks ? Is het God de Vader of Christus ? Was het drieluik oorspronkelijk opgevat in zijn huidige vorm of werd het gaandeweg opgebouwd volgens suggesties tijdens het verloop van het werk? Wie inspireerde de iconografie: de schenkers, de artiesten of de clerus van St-Jans ? Is de straat die men bemerkt in het tafereel van de Boodschap, werkelijk de Korte Dagsteeg in Gent of een fictieve straat? Zijn de torens van het hemelse Jeruzalem die van de kathedraal van Keulen of van St-Niklaas of van Brugge, of simpelweg hemelse torens? Waarom vormen al de panelen niet één geheel? Waarom zijn sommige figuren groter dan men zou verwachten? We kennen een paar feiten. Hubert van Eyck was een schilder die een atelier had te Gent en die stierf in 1426. Zijn broer Jan had zijn atelier in Brugge en werkte als schilder en als diplomaat voor Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaandeen. We weten dat de schenkers Joos Vijd en zijn vrouw Elisabeth Borluut waren; hun wapenschilden versieren de sluitstenen in de gewelven van de kapel en hun portretten staan op de gesloten luiken. Ze schonken geld voor het bouwen van de kapel en voor het vervaardigen van de schilderij. We weten dat beiden lang genoeg leefden om het werk op de geplande plaats te zien hangen en zich konden verheugen in de bewondering die het meesterwerk opwekte. De abt van Sint-Pieters bvb. bracht een bezoek aan Joos Vijd om de toelating te vragen het te bezichtigen. We weten dat er op dit tijdstip enkelende ondernemende leden van de clerus waren die hun zeg kunnen hebben gehad in de iconografie. We weten dat sommige veranderingen aangebracht werden tijdens het schilderen, want wetenschappelijke onderzoekingen hebben uitgewezen dat sommige delen overschilderd werden; We weten dat het werk in nauw verband staat met het leven van de parochie van de H. Johannes de Doper, door de afbeelding van Johannes de Doper zelf aan de binnenzijde en die van dezelfde Johannes samen met Johannes de Evangelist op de gesloten luiken. Waarschijnlijk stelden de figuren van de Ridders de adel voor, en die van de Rechtvaardige Rechtrs de toenmalige stadsmagistraten. Er heersen hevige controverses over al deze punten. Toch is er geen twijfel dat het één van de grootste meesterwerken aller tijden is. De avonturen van het Lam Gods begonnen met de eerste aanval van de beeldstormers in 1566. Vastbesloten dit werk te redden verborg iemand de panelen in de toren van de kathedraal en gelukkig verraadde niemand het geheim zoals het gebeurde bij de karmelieten. In 1569 vond men de toestand veilig genoeg om het terug te plaatsen maar tijdens de calvinistische overheersing in Gent in de zeventig en tachtiger jaren, werd het van de kathedraal naar het stadhuis gebracht om het als geschenk te zenden naar de protestantse vorstin Elisabeth I van Engeland. Gelukkig maar voor Gent, protesteerde de familie zo heftig, dat het plan nooit uitgevoerd werd. In 1584 was het Lam Gods opnieuw in de kathedraal, in de Viglius kapel, waar het bleeft tot in 1588, toen het terugkeerde naar de Vijdkapel. Het werd met rust gelaten gedurende ongeveer twee eeuwen, tot in 1794 agenten opdaagden uit Parijs om alle kunstwerken weg te halen uit de veroverde gebieden. Ze namen de vier middenpanelen mee. De luiken werden opgeborgen inhet kapittelhuis. Gelukkig bepaalde het vredesverdrag van 1815 dat de gestolen schatten zouden terugkeren naar hun rechtmatige eigenaars en Gent kreeg de vier panelen terug. Toen gingen de kerkelijke autoriteiten er zich mee bemoeien en de vicaris-generaal verkocht de luiken, met uitzondering van die van Adam en Eva, aan een kunsthandelaar uit Brussel. De bisschop was toen juist afwezig. Na verdere verkopen kwamen deze panelen in de handen van de koning van Pruisen en ze werden door hem in het Museum van Berlijn geplaatst. Het was daar dat, in 1823, een laag verf verwijderd werd van de omlijsting en dat het kwatrijn over de schilders aan het daglicht kwam. In 1861 werden de Adam en Eva panelen in het Museum van Brussel geplaatst; kopijen van de zijpanelen door Michael Coxie en moderne kopijen van de Adam en Eva panelen werden in Sint-Baafs geplaatst. Adam en Eva waren gehuld in dierenhuiden. Deze schilderijen hangen nu bij het westelijk portaal. In 1894 werden de zes panelen in Berlijn doorgezaad om het mogelijk te maken beide zijden tegelijkertijd te zien. Toen werd alles opgeborgen voor de duur van de eerste wereldoorlog. Door het verdrag van Versailles verlieten de panelen Berlijn en het volledig werk werd eindelijk opnieuw samengevoegd en in de kathedraal geplaatst. Gedurende de nacht van 10 op 11 april 1934 werden twee panelen, die van Sint-Jan de Doper en van de Rechtvaardige Rechters gestolen. De H. Johannes werd teruggevonden, maar de Rechtvaardige Rechters ontbreken nog. Werd het paneel ergens verborgen in de kathedraal? In 1940 werd het Lam Gods overgebracht naar een kasteel in de nabijheid van Pau, vandaar, in 1942, naar Duitsland in het kasteel van Neuschwanstein en nadien in de zoutmijn van Alt Aussee in Oostenrijk. Daar werd het ontdekt in 1945, overgebracht naar München en eindelijk teruggebracht naar Gent. Druk hier om enige foto's van dit befaamde veelluik te zien.
|
Naar de luchtfoto (Sint-Baafskathedraal) ?
22 juni 2005.